
Twee ingenieur-architecten die van ‘kunst in de publieke ruimte’ hun handelsmerk maakten. Vanwaar komt deze fascinatie?
— Pieterjan: Eén van de dingen die dat ongetwijfeld heel hard beïnvloed heeft, is het feit dat de studie die we volgden een heel technische en zakelijke opleiding was. Arnout en ik kregen al snel het gevoel dat we daarvan wilden loskomen en tegelijk dat we vanuit de architectuur ook anders konden creëren. We zijn daar vanaf het begin naar op zoek gegaan.
Arnout: We leerden de complexiteit van de klassieke architectuurpraktijk kennen tijdens onze stages en eerste beroepsactiviteiten. We begonnen tegelijkertijd aan eigen projecten te werken ’s avonds en in het weekend. We merkten dat we met artistieke projecten in de publieke ruimte sneller ideeën konden bedenken en ontwikkelen en dat we daar veel meer bewegingsruimte hadden. We hebben dat stap voor stap geëxploreerd en zo is onze praktijk ontstaan.
Jullie gebruiken het argument ‘sneller’ maar in de publieke ruimte is dat toch niet altijd evident? Het kunstwerk dat jullie hier in Bornem realiseren kent een ontstaansgeschiedenis van enkele jaren.
— Arnout: Dat klopt en dat had in de eerste plaats eerder te maken met het vinden van voldoende financiering en nadien ook met het verkrijgen van groen licht voor de locatie van het kunstwerk. Deze traagheid was niet perse negatief want dat heeft de vorm en inhoud van het uiteindelijke kunstwerk positief beïnvloed.
— Pieterjan: Ik herinner me dat we hier samen heel geleidelijk over zijn beginnen reflecteren. De initiële vraag kwam van Tom (Tom Wezenbeek, huidig coördinator Nationaal Park Scheldevallei) in functie van het Scheldefestival Hoogtij.
Waarbij cultuurcentrum Ter Dilft als partner al mee aan tafel zat.
— Pieterjan: Inderdaad. We zijn toen zelfs gestart met de idee om iets op het water te doen, maar dat bleek al snel te complex op een getijdenrivier. De essentie van het project was van in het begin aanwezig, namelijk hoe kan je via een ingreep of met een kunstwerk de relatie met het water versterken?
Ik wil nog even terugkomen op die zogenaamde complexiteit van kunst in de publieke ruimte. Dat wordt sterk bepaald door het perspectief van waaruit je dit benadert. Een beeldend kunstenaar die in zijn atelier werkt zal die publieke ruimte misschien veel gedoe vinden. Maar als architect zijn wij vanuit onze opleiding vertrouwd met mediëren en dialogeren en tegelijk ervaren we bij het ontwerp van een kunstwerk een soort eenvoud die je binnen de architectuur niet hebt.
Wanneer happen jullie toe om aan een opdracht te beginnen?
— Arnout: Dat is iets dat door de jaren heen evolueerde. Als je aan het begin staat van een artistiek parcours zijn er spontaan weinig opdrachten en dan ben je bij manier van spreken heel blij als er een vraag tot bij jou komt. Ondertussen gaan we niet meer op elke vraag in. Er is geen set van regels die we hanteren. We kijken naar het geheel en vragen onszelf in eerste instantie af of we in die context iets kunnen betekenen.
— Pieterjan: En het vertrekt tegelijk ook vanuit de ingesteldheid en visie van de opdrachtgevers die naar ons komen en waarbij we meteen voelen hier is ruimte voor een interessant artistiek traject.
Wat was de trigger om ‘ja’ te zeggen op de samenwerking met Ter Dilft?
— Arnout: We merkten meteen dat er ambitie was en een drive om er samen voor te gaan. Er was een grote openheid om op zoek te gaan naar het best mogelijke werk dat wij kunnen maken in deze context. Dat wederzijds vertrouwen is zo belangrijk.
— Pieterjan: Je kan de parallel ook trekken met architectuur: soms heb je bouwheren die gedetailleerd aangeven wat ze wensen waardoor je gewoon een soort verlengstuk wordt van de opdrachtgever. Maar een opdrachtgever die zegt: ‘denk er eens over na en doe ons een voorstel en’, vinden wij veel interessanter.


En of er nagedacht is. Jullie voorstel evolueerde van een tribune onder de naam Landschap in Landschap naar Outcrop, een futuristische rotsformatie. Vertel!
— Pieterjan: Ja, de titel en in dit geval ook het kunstwerk zelf veranderden tijdens het creatieproces. Dat gebeurt wel vaker. Soms verandert de naam zelfs nog nadat het kunstwerk gerealiseerd is. We proberen met de titel van het werk steeds een directheid na te streven die ook gelaagd is. Met Outcrop creëren we een beeld dat letterlijk verwijst naar een geologische formatie – een stuk rots dat boven het oppervlak uitsteekt. En tegelijk is het een soort topje van de ijsberg dat suggereert dat er nog een hele wereld onder zit. De suggestie van die geologische diepte, daar schuilt ook mysterie in.
— Arnout: Door zijn materialiteit krijgt Outcrop meteen ook een futuristische lading: een constructie van geometrisch geordende driehoeken. De ogenschijnlijke rots is bij nader toezien een artificiële toevoeging in het landschap. Wat dan weer perfect aansluit bij de realiteit. Het hele landschap rond de Schelde is gemodelleerd door menselijke handen. Het lijkt voor veel mensen een natuurlijk landschap te zijn maar het is eigenlijk 100 % artificieel. In Outcrop komt dit spanningsveld tussen artificieel en natuurlijk samen.
Via de Sigmawerken krijgt de Schelde her en der terug wat ruimte, ook in Bornem. Het is de gedroomde locatie voor een kunstwerk dat aandacht vraagt voor ‘de stem van de rivier’.
— Pieterjan: Ik denk inderdaad dat het belangrijk is dat een werk een narratief kan oproepen. Maar naast die betekenislaag wilden we ook een creatie die mensen op een heel eenvoudige manier laat connecteren met de omgeving, en met het water in het bijzonder. Outcrop is betreedbaar, je kan er op. Het fungeert als een uitkijkpunt om te observeren, als een plek om tot rust te komen of te picknicken.
— Arnout: We hopen dat het kunstwerk het potentieel heeft om als ankerpunt aan de Schelde te functioneren. Een plaats waar ze afspreken. Mensen gaan ook vaak een eigen naam geven aan zo’n werk en dat is vaak een goed teken. Het toont dat het kunstwerk geadopteerd wordt.
Eind december is het zover! We kijken uit naar een al dan niet besneeuwde bergtop aan de oever van de Schelde.
Gijs Van Vaerenbergh
Kunstenaarsstudio Gijs Van Vaerenbergh opgericht in 2007 door Pieterjan Gijs en Arnout Van Vaerenbergh. Ze realiseren stedelijke installaties, sculpturen, monumenten, scenografieën en objecten. Daarbij koppelen ze hun technische en theoretische architecturale kennis aan de uitdaging van het experiment. Hun werk bevindt zich op het snijvlak van architectuur met en beeldende kunst.
In 2020 ontvingen ze de Flemish Culture Prize ULTIMA voor Architectuur/Designvormgeving. De jury prees hen voor hun vermogen om concepten om te zetten in tijdloze esthetische ervaringen die zowel leken als kenners aanspreken.
Een greep uit de reeds gerealiseerde projecten:
- The Upside Dome (Leuven, 2010)
- Reading Between the Lines (Borgloon, 2011)
- Arcade (Kruibeke, 2017)
- A Giant Sculpture (Kasterlee, 2018)
- Tabernacle (Watou, 2021)
- Waterline Monument (Utrecht, 2022)
- Shelter (Olst, 2023)
'De essentie van het project was van in het begin aanwezig, namelijk: hoe kan je via een ingreep of met een kunstwerk de relatie met het water versterken.'
Outcrop
Je vindt het kunstwerk vanaf eind december op de Scheldeoever ter hoogte van de Sigmawerken aan het Groot Schoor in Hingene.
